Geschiedenis Wilhelmus

Het Wilhelmus is het Nederlandse volkslied. Het lied bestaat uit 15 coupletten die een acrostichon vormen: in de oude variant vormden de eerste letters van de 15 coupletten de naam Willem van Nassov. De tekst wordt toegeschreven aan Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, maar deze bewering is alles behalve zeker. De melodie is afkomstig van het spotlied Autre chanson de la ville de Chartres assiégée par le prince de Condé, dat werd gezongen tijdens het beleg van de stad Chartres door de Hugenoten in 1568. De oorspronkelijk zeer eenvoudige melodie werd in 1626 van melismatiek (klankbuigingen) voorzien, genoteerd door de Veerse schepen Adriaen Valerius in zijn met een aantal liederen “geïllustreerde” geschiedschrijving “Nederlandtsche Gedenck-Clanck”.

Van het Wilhelmus wordt meestal het eerste couplet gezongen, soms gevolgd door het zesde, dat in de Tweede Wereldoorlog erg populair was. Het Wilhelmus is het Nederlandse volkslied sinds 10 mei 1932. Tot dan was het lied “Wien Neêrlands bloed” het volkslied. Wel had de jonge koningin Wilhelmina al bij haar inhuldiging in 1898 haar voorkeur voor het Wilhelmus te kennen gegeven. In de voorbereiding naar haar 25jarig regeringsjubileum werd dit officieel vastgelegd door de Nederlandse regering.

Geschiedenis

Het Nederlandse volkslied is het oudste volkslied ter wereld. Waarschijnlijk is het lied geschreven tussen 1568 en 1572, de precieze datum is onbekend, het lied is dus meer dan 400 jaar oud. Het Wilhelmus werd pas in 1932 officieel geregistreerd als volkslied, maar in vergelijking met andere landen is dit tamelijk vroeg. Er zijn landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, die helemaal geen officieel geregistreerd volkslied hebben.

Het Wilhelmus is inhoudelijk geschreven als een lied dat door Willem van Oranje gezongen zou kunnen worden (maar niet noodzakelijk door hem gezongen is). Het weerspiegelt zijn tweestrijd in de opstand in de Nederlanden. Enerzijds probeert Willem van Oranje trouw te zijn aan de Spaanse koning, anderzijds is hij boven alles trouw aan het Nederlandse volk.

De herkomst van de tekst is onbekend. Hierover bestaan verschillende theorieën. Het Wilhelmus is een geuzenlied en de meeste teksten daarvan waren anoniem, omdat op het maken van opstandige liederen destijds de doodstraf stond.

Vanaf het begin van de 17e eeuw werd het Wilhelmus toegeschreven aan Marnix van St. Aldegonde die de tekst tussen 1570 en 1572 in West-Souburg zou hebben gedicht. Hij was dichter en intimus van Prins Willem. Hij had gestudeerd bij Calvijn in Genève, en het Wilhelmus draagt daarvan de sporen.

Er is ook een theorie dat het Wilhelmus oorspronkelijk in het Duits geschreven zou zijn door vluchtelingen uit de Nederlanden, die met dit lied Duitse vorsten voor de Nederlandse zaak probeerden te winnen. Ook wordt Coornhert wel als auteur genoemd. Volgens een andere theorie is de tekst door een onbekend gebleven dichter geschreven en daarna door Marnix van St. Aldegonde bewerkt. Wat betreft de datum wordt er van uitgegaan dat de tekst geschreven is na mei 1568, omdat de tocht langs de Maas in het lied vermeld wordt, en voor april 1572, omdat de verovering van Den Briel niet bekend lijkt in het lied.

Lange tijd was het Wilhelmus een vrolijk lied, dat graag werd gespeeld bij het leger, de vloot en bij prinselijke ceremonieën. In de 18e eeuw was het echter steeds meer een instrumentaal lied geworden, dat met name werd gespeeld op trompet en carillion. Bij dit lied, dat werd aangeduid als de Prinsenmars, paste de oorspronkelijke tekst niet goed meer. Na de val van Napoleon en de herintroductie van het vorstenhuis in de Nederlanden in 1813, wist vrijwel niemand meer de oorspronkelijke tekst te herinneren.

Er was echter in navolging van andere grote Europese landen behoefte aan een nationaal volkslied en er werden prijsvragen uitgeschreven. Er werden in een groot aantal teksten bedacht voor het Wilhelmus, maar geen die aansloeg. Uiteindelijk werd niet het Wilhelmus, maar het lied Wien Neêrlands bloed van dichter Hendrik Tollens gekozen in 1817. Zijn melodie werd echter afgekeurd en het was Johann Wilhelm Wilms die uiteindelijk de muziek mocht leveren, waarbij er overigens sterke aanwijzingen waren dat Wilms zichzelf heeft bevoordeeld en de muziek van een andere ingezonden versie (Wij leven vrij, wij leven blij van advocaat J. Brand) heeft gebruikt en iets heeft aangepast. De tekst van Tollens werd omwille van haar ‘deftigheid’ geen groot succes onder de bevolking, maar wist het toch vol te houden tot 1932. De reden hiervoor was onder andere dat het Wilhelmus als ‘te protestants’ werd geoordeeld door het katholieke zuiden.

Toen de bisschoppelijke hiërarchie werd hersteld in 1853 gebeurde er iets waardoor het Wilhelmus in elk geval voorlopig helemaal uit de gratie was. Dat jaar werd namelijk ook het lied ’t Wilhelmus der Geuzen uitgegeven, dat werd gezongen op de melodie van het Wilhelmus en overduidelijk pro-protestants en sterk anti-‘paaps’ was:

Hij [de Paus], die zich zonder rechten,
Heeft tot een Heer gemaakt,
Spreekt weêr tot ons als knechten,
Naar wier beheer hij haakt:
Hij wil ons overvleugelen,
En door zijn Bisschopsschaar,
Als ketters wreed beteugelen,
Als voor drie-honderd jaar.

Door dit lied was het Wilhelmus plots helemaal uit de gratie bij de katholieken en het zou nog tot de jaren ’80 duren alvorens het tij weer wat zou keren. De Tachtigers moesten bijvoorbeeld niks van Tollens’ werk hebben en veegden de vloer aan met zijn dichtsels. Ook was er in die tijd weer een hernieuwde belangstelling voor de ‘roemrijke daden’ uit het verleden ontstaan, wat gunstig was voor het Wilhelmus. De heruitgave van Valerius’ Nederlandtsche Gedenck-clanck uit 1626 door theoloog A.D. Loman (sr) in 1871 vormde de opmaat voor een hernieuwde belangstelling voor het Wilhelmus. Deze heruitgave bevatte onder andere het Wilhelmus met de oorspronkelijke melodieën en pianobegeleiding. De Oostenrijkse componist Eduard Kremser bewerkte het Wilhelmus en andere ‘Valeriusliederen’ tot de cyclus Sechs Altniederländische Volkslieder die in 1877 in première ging in Wenen en zes Valeriusliederen bevatte, die hij aan elkaar had herschreven tot een romantisch-heroïstisch programma, dat aldaar zeer goed werd ontvangen. Niet alleen muziekcriticus Eduard Hanslick was er van onder de indruk, ook de Duitse keizer Wilhelm II zelf was lyrisch na het horen van het stuk in 1893. Hij had de oorspronkelijke versie van Valerius twee jaar eerder al gehoord tijdens een staatsbezoek aan Nederland en na het horen van Kremser’s bewerking gaf hij bevel om de liederen van Valerius (waaronder het Wilhelmus) te onderwijzen op verschillende gymnasia in zijn Rijk. Kremser’s bewerking kreeg ook in Nederland veel waardering, al konden velen er niet uit opmaken dat het hier om oorspronkelijk Nederlandse muziek ging; de Romanticistische inslag had van de vrolijke soldatenmars een plechtig geheel gemaakt. Prinses Wilhelmina was ook gecharmeerd van het stuk en toen zij de troon besteeg in 1898 werd (voor zover bekend) niet Wien Neêrlands bloed gespeeld, maar buiten werd De Prinsenmars gespeeld en binnen Kremser’s versie van het Wilhelmus.

Johan W. Enschedé poogde om de oude versie van 1568 weer aangenomen te krijgen in plaats van de bewerkte versie van Valerius, hetgeen ertoe leidde dat in 1909 drie versies werden voorgelegd aan koningin Wilhelmina tijdens een tuinfeest op Paleis Het Loo; de Prinsenmars ‘nieuwe stijl’ (een herbewerking die in 1855 was ingesteld), de Kremserbewerking van Valerius en de versie van 1568. Wilhelmina was echter nog steeds gecharmeerd van Kremers Romanticistische bewerking, die immers ook op haar inauguratie werd gespeeld. De uiteindelijke instelling van het Wilhelmus als volkslied was echter een gevolg van de verwarring onder met name afgevaardigden van Nederland in het buitenland. Deze leidde er uiteindelijk toe dat de Romantische versie van Kremser op 10 mei 1932 door de ministerraad werd ingesteld als nieuw volkslied.

Over het gebruik van het Wilhelmus ontstond in juni 2004 een politieke en maatschappelijke discussie, toen bekend werd dat sinds 1986 het Wilhelmus bij staatsaangelegenheden alleen gespeeld wordt bij aanwezigheid van een lid van het Koninklijk Huis. Koningin Beatrix zou de rechten op het Wilhelmus hebben opgeëist en niet toestaan dat het Wilhelmus buiten haar aanwezigheid zou worden gespeeld. Dit werd door de Rijksvoorlichtingsdienst ontkend. Wel werd bevestigd dat sinds 1986 het protocol voorschrijft dat bij ontvangst van buitenlandse gasten door ministers buiten aanwezigheid van leden van het Koninklijk Huis, niet het Wilhelmus wordt gespeeld, maar de mars van De jonge Prins van Friesland.
Bron : Wikipedia

Klik voor de oude en de nieuwe versie van het Wilhelmus

De nieuwe versie

Wilhelmus van Nassouwe
ben ik, van Duitsen bloed,
den vaderland getrouwe
blijf ik tot in den dood.
Een Prinse van Oranje
ben ik, vrij onverveerd,
den Koning van Hispanje
heb ik altijd geëerd.

In Godes vrees te leven
heb ik altijd betracht,
daarom ben ik verdreven,
om land, om luid gebracht.
Maar God zal mij regeren
als een goed instrument,
dat ik zal wederkeren
in mijnen regiment.

Lijdt u, mijn onderzaten
die oprecht zijt van aard,
God zal u niet verlaten,
al zijt gij nu bezwaard.
Die vroom begeert te leven,
bidt God nacht ende dag,
dat Hij mij kracht zal geven,
dat ik u helpen mag.

Lijf en goed al te samen
heb ik u niet verschoond,
mijn broeders hoog van namen
hebben ’t u ook vertoond:
Graaf Adolf is gebleven
in Friesland in den slag,
zijn ziel in ’t eeuwig leven
verwacht den jongsten dag.

Edel en hooggeboren,
van keizerlijken stam,
een vorst des rijks verkoren,
als een vroom christenman,
voor Godes woord geprezen,
heb ik, vrij onversaagd,
als een held zonder vreden
mijn edel bloed gewaagd.

Mijn schild ende betrouwen
zijt Gij, o God mijn Heer,
op U zo wil ik bouwen,
Verlaat mij nimmermeer.
Dat ik doch vroom mag blijven,
uw dienaar t’aller stond,
de tirannie verdrijven
die mij mijn hart doorwondt.

Van al die mij bezwaren
en mijn vervolgers zijn,
mijn God, wil doch bewaren
den trouwen dienaar dijn,
dat zij mij niet verassen
in hunnen bozen moed,
hun handen niet en wassen
in mijn onschuldig bloed.

Als David moeste vluchten
voor Sauel den tiran,
zo heb ik moeten zuchten
als menig edelman.
Maar God heeft hem verheven,
verlost uit alder nood,
een koninkrijk gegeven
in Israël zeer groot.

Na ’t zuur zal ik ontvangen
van God mijn Heer dat zoet,
daarna zo doet verlangen
mijn vorstelijk gemoed:
dat is, dat ik mag sterven
met eren in dat veld,
een eeuwig rijk verwerven
als een getrouwen held.

Niet doet mij meer erbarmen
in mijnen wederspoed
dan dat men ziet verarmen
des Konings landen goed.
Dat u de Spanjaards krenken,
o edel Neerland zoet,
als ik daaraan gedenke,
mijn edel hart dat bloedt.

Als een prins opgezeten
met mijner heires-kracht,
van den tiran vermeten
heb ik den slag verwacht,
die, bij Maastricht begraven,
bevreesde mijn geweld;
mijn ruiters zag men draven
zeer moedig door dat veld.

Zo het den wil des Heren
op dien tijd had geweest,
had ik geern willen keren
van u dit zwaar tempeest.
Maar de Heer van hierboven,
die alle ding regeert,
die men altijd moet loven,
en heeft het niet begeerd.

Zeer christlijk was gedreven
mijn prinselijk gemoed,
standvastig is gebleven
mijn hart in tegenspoed.
Den Heer heb ik gebeden
uit mijnes harten grond,
dat Hij mijn zaak wil redden,
mijn onschuld maken kond.

Oorlof, mijn arme schapen
die zijt in groten nood,
uw herder zal niet slapen,
al zijt gij nu verstrooid.
Tot God wilt u begeven,
zijn heilzaam woord neemt aan,
als vrome christen leven,-
’t zal hier haast zijn gedaan.

Voor God wil ik belijden
en zijner groten macht,
dat ik tot genen tijden
den Koning heb veracht,
dan dat ik God den Heere,
der hoogsten Majesteit,
heb moeten obediëren
in der gerechtigheid.

De oude versie

Wilhelmus van Nassouwe
Ben ick van Duytschen bloet,
Den Vaderlant getrouwe
Blyf ick tot in den doot:
Een Prince van Oraengien
Ben ick vrij onverveert,
Den Coninck van Hispaengien
Heb ick altijt gheeert.

In Godes vrees te leven
Heb ick altyt betracht,
Daerom ben ick verdreven
Om Landt om Luyd ghebracht:
Maer God sal mij regeren
Als een goet Instrument,
Dat ick zal wederkeeren
In mijnen Regiment.

Lydt u myn Ondersaten
Die oprecht zyn van aert,
Godt sal u niet verlaten
Al zijt ghy nu beswaert:
Die vroom begheert te leven
Bidt Godt nacht ende dach,
Dat hy my cracht wil gheven
Dat ick u helpen mach.

Lyf en goet al te samen
Heb ick u niet verschoont,
Mijn broeders hooch van Namen
Hebbent u oock vertoont:
Graef Adolff is ghebleven
In Vriesland in den slaech,
Syn Siel int ewich Leven
Verwacht den Jongsten dach.

Edel en Hooch gheboren
Van Keyserlicken Stam:
Een Vorst des Rijcks vercoren
Als een vroom Christen man,
Voor Godes Woort ghepreesen
Heb ick vrij onversaecht,
Als een Helt sonder vreesen
Mijn edel bloet ghewaecht.

Mijn Schilt ende betrouwen
Sijt ghy, o Godt mijn Heer,
Op u soo wil ick bouwen
Verlaet mij nimmermeer:
Dat ick doch vroom mach blijven
V dienaer taller stondt,
Die Tyranny verdrijven,
Die my mijn hert doorwondt.

Van al die my beswaren,
End mijn Vervolghers zijn,
Mijn Godt wilt doch bewaren
Den trouwen dienaer dijn:
Dat sy my niet verrasschen
In haren boosen moet,
Haer handen niet en wasschen
In mijn onschuldich bloet.

Als David moeste vluchten
Voor Saul den Tyran:
Soo heb ick moeten suchten
Met menich Edelman:
Maer Godt heeft hem verheven
Verlost uit alder noot,
Een Coninckrijk ghegheven
In Israel seer groot.

Na tsuer sal ick ontfanghen
Van Godt mijn Heer dat soet,
Daer na so doet verlanghen
Mijn Vorstelick ghemoet:
Dat is dat ick mach sterven
Met eeren in dat Velt,
Een eewich Rijck verwerven
Als een ghetrouwe Helt.

Niet doet my meer erbarmen
In mijnen wederspoet,
Dan dat men siet verarmen
Des Conincks Landen goet,
Dat v de Spaengiaerts crencken
O Edel Neerlandt soet,
Als ick daer aen ghedencke
Mijn Edel hert dat bloet.

Als een Prins op gheseten
Met mijner Heyres cracht,
Van den Tyran vermeten
Heb ick den Slach verwacht,
Die by Maestricht begraven
Bevreesde mijn ghewelt,
Mijn ruyters sach men draven.
Seer moedich door dat Velt.

Soo het den wille des Heeren
Op die tyt had gheweest,
Had ick gheern willen keeren
Van v dit swaer tempeest:
Maer de Heer van hier boven
Die alle dinck regeert.
Diemen altijd moet loven
En heeftet niet begheert.

Seer Prinslick was ghedreven
Mijn Princelick ghemoet,
Stantvastich is ghebleven
Mijn hert in teghenspoet,
Den Heer heb ick ghebeden
Van mijnes herten gront,
Dat hy mijn saeck wil reden,
Mijn onschult doen bekant.

Oorlof mijn arme Schapen
Die zijt in grooten noot,
V Herder sal niet slapen
Al zijt ghy nu verstroyt:
Tot Godt wilt v begheven,
Syn heylsaem Woort neemt aen,
Als vrome Christen leven,
Tsal hier haest zijn ghedaen.

Voor Godt wil ick belijden
End zijner grooter Macht,
Dat ick tot gheenen tijden
Den Coninck heb veracht:
Dan dat ick Godt den Heere
Der hoochster Maiesteyt,
Heb moeten obedieren,
In der gherechticheyt.o.